Jan Frans Vonck (1743-1792) - Jan Frans Vonck op de vlucht

Artikelindex

Jan Frans Vonck op de vlucht

Franse troepen vallen Nederlanden binnen

Op 6 oktober 1790 merkte de Brusselse Vonckist Van Krieken tijdens een processie ter ere van Hendrik Van der Noot op dat "overal die monnikskappen te zien waren". Dat had hij beter niet gedaan. Van Krieken werd geslagen en aangehouden. Op de Grote Markt van de hoofdstad werd hij verplicht te biechten. Daarna probeerde de menigte de man aan een straatlantaarn op te hangen, maar het touw brak voor hij dood was. Men probeerde hem met een sabel te doden, maar ook dat lukte niet. Alleen een stuk van zijn kin werd afgehakt. Tenslotte bood een van de toeschouwers een zaag aan, waarmee Van Kriekens hoofd werd afgezaagd. Deze gruwelijke moord schetst de verhouding tussen Statisten en Vonckisten na een goeie tien maanden onafhankelijkheid.

Snel na de uitroeping van de onafhankelijkheid van de Verenigde Nederlandse Staten in januari 1790 stonden de Vonckisten, aanhangers van Jan Frans Vonck, en de Statisten, aanhangers van Hendrik Van der Noot, met getrokken messen tegenover elkaar. "Men geniet een volledige vrijheid, als men niet schrijft, niet praat en zelfs niet denkt", schreef Dotrenge, de zaakgelastigde van Luik en aanhanger van Vonck, reeds op 15 januari 1790. Het zag er niet goed uit voor de Vonckisten.

Om de progressieve actie te coördineren, richtten de Vonckisten het Vaderlands Genootschap op. Met pamfletten probeerden ze het volk van hun gelijk te overtuigen. Zonder succes, overigens. Voor de bevolking was Hendrik Van der Noot de grote held. De Vonckisten waren verdacht omdat ze voorstanders waren van vernieuwingen in het bestuur.
En waren de Oostenrijkers niet zopas verdreven wegens de vernieuwingen die ze wilden aanbrengen? Bovendien was er het afschrikwekkende voorbeeld van Frankrijk, waar de revolutionaire vernieuwingen alleen maar tot anarchie leidden.
Voor de vasten van 1790 publiceerde kardinaal de Franckenberg een herderlijke brief waarin hij eenieder die het geluk verstoorde, als vijand van de staat en de kerk veroordeelde. Hij vroeg aan de gelovigen niet te luisteren "naar die woelzieke en arglistige lieden, die, onder deksel van uw rechten op een soevereiniteit, die gij zelf nooit kunt uitoefenen te bewaren, slechts tweedracht zoeken te zaaien en wantrouwen willen inboezemen jegens die vaders des vaderlands".
Wie de godsdienst of de grondwet wilde veranderen, was volgens de kardinaal een landverrader. De Vonckisten kwamen bij de gelovige bevolking nog meer in een slecht daglicht te staan.

Op 15 maart 1790 overhandigden de leden van het Vaderlands Genootschap aan de Staten van Brabant een verklaring waarin ze hun standpunten over democratisering en modernisering uit de doeken deden. De overhandiging van dit Adres aan de Staten van Brabant brak hen zuur op. Onmiddellijk erna braken in Brussel rellen los, vermoedelijk op aanstoken van Van der Noot. Daarbij werden de ondertekenaars van het Adres gevizeerd. Op 17 maart moest Vonck in Brussel onderduiken. Daarna vertrok hij naar Namen, waar Van der Mersch verbleef. De legerleiding stond nog steeds achter de Vonckisten.

Kort daarop slaagden de Statisten erin Van der Mersch gevangen te nemen. De generaal werd naar de citadel van Antwerpen overgebracht, waar hij zeven maanden opgesloten bleef. Van de progressieve leiders werden ook graaf de la Marck en kanunnik de Broux aangehouden, terwijl anderen op de vlucht sloegen.

Vonck vertrok samen met de advocaat Jan Baptist Verlooy en de handelaren Weemaels en Daubremez naar Frankrijk. Via Dinant bereikten ze Givet waar ze op 17 april 1790 een paspoort kregen. Vonck heette volgens dat paspoort Van Nuffel, naar zijn moeder, Verlooy werd Lebrun. Vanuit Givet reisden ze verder naar Valenciennes. Ze belandden in Rijsel.

In Rijsel richtten de vluchtelingen het geheim genootschap Pro Patria op. Pro Patria verspreidde pamfletten in Brussel, waarin het genootschap de Statisten, vooral Van der Noot en van Eupen, zwaar op de korrel nam.

Intussen lieten de Oostenrijkers het er niet bij zitten. Jozef II was in februari 1790 overleden en door zijn broer Leopold II opgevolgd. Leopold was veel gematigder dan zijn broer en stelde al in maart een verzoening voor. Statisten noch Vonckisten gingen op het voorstel in.
In juli 1790 vroeg de gezant van de Oostenrijkse landvoogden Wildt aan de progressieven onder welke voorwaarden ze een terugkeer van de Oostenrijkers zouden aanvaarden. De Vonckisten publiceerden daarover twee rapporten. Daarin kenden ze de wetgevende macht aan de vorst en de Staten-Generaal toe. Onder invloed van de Franse revolutie vroegen ze getrapte verkiezingen en een stemming per afgevaardigde, niet per stand. De Oostenrijkers wezen dit voorstel af.

De overeenkomst van Reichenbach

Intussen veranderde de internationale context drastisch. Op 27 juli sloten Engeland, Pruisen en de Verenigde Provinciën de overeenkomst van Reichenbach, waarin ze bepaalden dat de Zuidelijke Nederlanden opnieuw onder Oostenrijks gezag zouden vallen en dat de oude privileges en grondwetten zouden hersteld worden. Oostenrijk beloofde eerst een wapenstilstand met de Turken te sluiten. Dat gebeurde op 19 september.
In november 1790 vielen de Oostenrijkers de Verenigde Nederlandse Staten binnen. Van der Noot, diens maîtresse en Van Eupen vluchtten naar Holland. Na de overwinning herriep Leopold II de beslissingen van zijn broer. De oude privileges werden opnieuw van kracht.
Voor de Vonckisten betekende de terugkeer van de Oostenrijkers het einde van hun ballingschap. Leopold II had hen amnestie beloofd als ze zich aan het Oostenrijks gezag onderwierpen. Veel Vonckisten keerden naar hun land terug, Vonck bleef in Rijsel achter. Zijn zwakke gezondheid liet hem niet toe een zware reis te ondernemen. Bovendien wilde hij eerst alle schulden betalen. Verlooy hield hem op de hoogte van de gang van zaken.

In Rijsel bleef Vonck verder publiceren. Hij vertaalde zijn Considérations impartiales in het Nederlands en voegde er een Kort Historisch verhael tot inleyding uytgegeveen door den advocaat Vonck aan toe. Daarin beschreef hij wat hij en de Vonckisten tijdens de Brabantse Omwenteling meemaakten. Kort voor zijn dood publiceerde hij Naerdere onzeydige aenmerkingen of vervolg van de staetkundige onderigtingen voor het Brabantsch Volk, waarin hij zijn politieke ideeën verder uitwerkte.

In de Nederlanden probeerden de Oostenrijkers Vonckisten tegen traditionalisten uit te spelen. Van democratische hervormingen kwam niets terecht. Dat was een van de redenen waarom Vonck bleef weigeren terug te keren. De ontevredenheid groeide en velen begonnen richting Frankrijk te kijken. In Parijs richtte de progressieve bankier Walckiers het democratisch "Comité des Belges et Liègeois Unis" op, dat in de Nederlanden een republiek naar Frans voorbeeld wilde oprichten. Vonck weigerde toe te treden omdat de groep volgens hem te radicaal en anti-clerikaal was.

In april 1792 verklaarde Frankrijk de oorlog aan Oostenrijk. Een eerste expeditie in de Nederlanden mislukte, maar op 6 november versloeg het Franse leger de Oostenrijkers bij Jemappes. Na de Franse overwinning wilde Vonck naar Brabant terugkeren om het land te helpen hervormen. Maar zijn ziekte verhinderde dat. Hij overleed op 1 december 1792 in de armen van zijn broer, priester Hieronymus Benedictus Vonck. Twee dagen later werd hij op het kerkhof van Rijsel begraven. Volgens de laatste wil van de overledene werd het stoffelijk overschot kort daarop opgegraven en naar Baardegem overgebracht. Vonck werd er naast de kerk begraven.

Vonck maakte de herovering van de Nederlanden door de Oostenrijkers en de tweede inval van de Franse troepen niet meer mee. Ook de samenwerking van zijn vroegere aanhangers met de Franse bezetter bleef hem bespaard.

Jan Frans Vonck bleef in alle omstandigheden een gematigd democraat, die vernieuwingen wilde, maar geen radicale breuk met het verleden. Tot aan zijn dood bleef hij zijn oorspronkelijke ideeën trouw.