Jan Frans Vonck (1743-1792) - Brabantse Omwenteling en Vrijmetselarij

Artikelindex

Brabantse Omwenteling en vrijmetselarij

De 18de eeuw was de eeuw van de kritiek. Nooit eerder stelde men de bestaande orde zo nadrukkelijk ter discussie. Voor het eerst namen denkers en pamflettisten Kerk en godsdienst onder vuur. De 18de eeuw was ook die van de vrijmetselarij. Zij ontstond in 1717 in Londen en kreeg de volgende decennia in heel Europa voet aan de grond. ln de Oostenrijkse Nederlanden gebeurde dat vanaf 1750. Ook tijdens de Brabantse Omwenteling speelden vrijmetselaars een rol.

In 19de eeuw schreven historici de vrijmetselarij een voorname rol toe als gangmaakster van de Verlichting en van de ideeën die ten grondslag lagen aan de Franse revolutie. Maar dat is niet juist. Hoewel de paus tegen de vrijmetselarij in het geweer kwam, bleef ze christelijk van inspiratie. Onder haar leden telde zij vele geestelijken ( pas in de vorige eeuw werd zij - onder meer in Frankrijk en België - vrijzinnig). Bovendien bleef zij lange tijd een zaak van edelen en rijke burgers, die tevreden varen met de maatschappelijke toestand.

Met haar christelijk wereldbeeld en haar geheime, iniatieke karakter was zij eerder een uiting van de irrationele, misschien preromantische stroming die in de 18dc eeuw naast de Verlichting stond - al is het onmogelijk beide strikt te scheiden: individuen die de Rede voor alles stelden, handelden daar niet altijd naar; heel wat gevoelige en/of artistieke naturen zetten mee hun schouders onder de verspreiding van Verlichting.

Aan de andere kant waren de loges plaatsen waar ontwikkelde lieden, van wie velen vooraanstaande functies bekleedden, elkaar ontmoetten. Dat er over de actualiteit en nieuwe denkbeelden werd gesproken. behoeft geen betoog. Daar komt bij dat de vrijmetselarij of toch een aantal loges - in Gent en Antwerpen bijvoorbeeld - stilaan een democratisch karakter kregen en beoefenaars van vrije beroepen, kooplui winkeliers en zelfs ambachtslieden toelieten.

Jozef Il was niet tegen de vrijmetselarij. Hij had woorden van lof over voor haar menslievende activiteiten en vertikte het de veroordelingen van paus te bekrachtigen. Maar hij had geen goed oog in het geheime karakter van de bijeenkomsten in steeds talrijker 1oges. Daarom wilde hij hun aantal beperken en hun activiteiten laten controleren door de politie.

Politiek

In de Zuidelijke Nederlanden mochten maar drie loges blijven bestaan - in Brussel; die in de provinciesteden moesten hun deuren sluiten. Voor vele vrijmetselaars, die om redenen van politieke en/of religieuze aard toch al niet hoog opliepen met de keizer, wellicht een reden te meer om de kant van de opstand te kiezen (al zetten velen hun activiteiten stiekem voort en kenden de Brusselse loges geen grote uitbreiding).

Van der Noot werd pas vrijmetselaar toen hij als gevolmachtigde van het Brabantse Volk naar Londen reisde om Engelse steun te werven voor de opstand. Een politieke zet: eens terug in Brussel stelde hij alles in het werk om de loges te winnen voor de conservatieven. Dat was niet moeilijk; ze bestonden grotendeels uit edelen die de keizer de afbouw van hun privilegies verweten.

Een aantal vrijmetselaars was daar niet mee gediend en koos partij voor Vonck. De advocaten Vertong, Torfs, 't Kint en Le Hardy, de architect Fisco en de handelaars Wesmael en Daubremiez van Pro Aris et Focis waren vrijmetselaar. Dat gold ook voor de hertog van Ursel, diens schoonbroer de graaf van Lamarck en burggraaf Walckiers de Gamerages die de democratische zaak steunden.

Verlooy die Pro Aris et Focis bedacht, behoorde misschien ook tot de vrijmetselarij. Achteraf schreef hij over de organisatie: "Om de wervingen van het leger, d'opmaekingen der bezondere machten in elke stede en d'onderichtingen daer toe dinstig met alle geheym, en nochtans met alle vryheyd te doen: hadden zy uytgevonden een genootschap by wyze van 't gene der vrye-metselaers onder benoeming van associatie pro aris et focis".

"Kenteekens"

En toen Verlooy in 1790 in Rijsel een nieuw, maar gelijkaardig genootschap oprichtte dat Pro Patria heette, stond in het reglement: "Gy zult op de wyze van de vryemetselaers mogen ghebruyckmaeken van zekere kenteekens die zullen gegeven worden". Dit bewijst slechts dat hij met de vrijmetselarij vertrouwd was, niet dat hij er zelf toe behoorde. Ook van Vonck is dat verre van zeker; geen enkele eigentijdse bron noemt hem als vrijmetselaar.

De opstand was dus zeker geen zaak van "de" vrijmetselarij; de rol van de Kerk was veel belangrijker. Bovendien waren de vrijmetselaars in de Zuidelijke Nederlanden het onderling oneens. De enen kozen voor Verlooy, de anderen voor Pro Aris et Focis, terwijl derden, die van bij het begin keizersgezind waren - onder hen hoge ambtenaren, ook Oostenrijkers - dat bleven.

Men kan dus ten hoogste stellen dat tot de opstandelingen ook vrijmetselaars behoorden en dat sommigen van hen, die met lede ogen toezagen hoe Van der Noot "hun" 1oges in zijn greep kreeg, de democraten steunden. Binnen die strekking speelden zij een opvallende rol. Maar zelfs indien deze mannen elkaar in vrijmetselaarskringen leerden kennen, en de vrijmetselarij een voornaam bindmiddel tussen hen vormde, bleef hun rol in het vonckisme een kwestie van individueel initiatief en niet van gecoördineerde optreden van een eensgezinde groep.

 

Jan Lampo.

Bron: Dagblad 'De Standaard' van woensdag 9 dec 1992.