Jan Frans Vonck (1743-1792) - Jeanne de Bellum

Artikelindex

Jeanne de Bellum (1734-?)

"la Pompadour des Pays-Bas"

"Groot, met een zeer blanke huid en een prachtig gevormd lichaam, indringende zwarte ogen, lange zwarte krullen en schitterende tanden." kortom, "une beauté troublante". Zo beschreef een pamflettist Jeanne Pinaut alias Mademoiselle de Bellem, de minnares van Hendrik Van der Noot.

Jeanne Pinaut was het voorwerp van een reeks boosaardige pamfletten vanwege vonckisten en keizersgezinden die haar afschilderden als grijze eminentie van Hendrik Van der Noot. Een groot deel van haar leven blijft duister; wat volgt is een samenvatting van de onzekere reconstructie die prof F. Van Kalken in 1923 op basis van die pamfletten publiceerde.

Jeanne Pinaut werd op 1 maart 1734 geboren in Namen als dochter van de sloffenmaker Jacques en zijn vrouw, de naaister Marianne. Jeanne’s moeder werd betrapt bij de diefstal van zakdoeken van het garnizoen, die op de stadswallen aan een lijn te drogen hingen. Ze werd gegeseld en bezweek aan haar wonden.

Jacques werd blind en kwam voortaan als bedelaar aan de kost; Jeanne hielp hem. Op haar vijftiende werd ze de maîtresse van een sergeant; twee jaar later trok ze naar Brussel. Ze kwam terecht in een bordeel aan de Bloemenstraat - tussen de Zwaluwenstraat en de Nieuwbrugstraat, nabij de huidige Jacqmainlaan. Van daar verhuisde ze naar de herberg De Eekhoorn van een zekere Van Bruyn, tegenover het klooster van de Karmelieten.

Op 4 september 1751 verdween Jeanne plots spoorloos. Van Bruyn waarschuwde de amman, Nikolaas van der Noot, die haar samen met de sub-prior van de karmelieten aantrof in een biechtstoel.
Naar verluidt was de zoon van de amman, Hendrik, de latere advocaat, hierbij aanwezig en ontvlamde hij in liefde voor de ondernemende Jeanne. Zij zat zes maanden in het huis van bewaring en belandde toen weer in de Bloemenstraat.

Daar werd ze "ontdekt" door burggraaf Alexandre Bertout de Carillo, heer van Cauwenburgh-Quenonville en van Ottignies. Hij nam haar mee naar zijn buitengoed in Laken, waar hij haar een rudimentaire opvoeding liet geven. Aan zijn kinderen vertelde hij dat Jeanne een wees van goeden huize was en Mademoiselle de Bellem heette.

Toen Jeanne zwanger raakte, installeerde de edelman haar in een huis aan de Koolstraat. Ze beviel er van een kind waarover verder niets bekend is. De burggraaf verloor zijn belangstelling, maar geen nood: zijn zoon nam zijn plaats in.
Naar boze tongen beweerden, was burggraaf junior de vader van Marianne, de dochter van Jeanne. Rond 1758 ontmoette Jeanne (opnieuw) Hendrik Van der Noot, toen zevenentwintig. De twee maakten geen geheim van hun verhouding; Van der Noot zag zelfs af van een huwelijk met een vrouw van zijn stand.

 

Bewondering

 

De twee woonden nooit samen; hoewel men zich in de 18de eeuw vertederde over lange verhoudingen. had de toenmalige goegemeente dàt niet aanvaard. Toen het verzet tegen Jozef II in 1787 op gang kwam. was Jeanne drieënvijftig. Zij steunde Van der Noot door dik en dun, ook toen hij vluchtte naar Breda en de Oostenrijkers haar opsloten in de Hallepoort. Haar brieven getuigen van de onvoorwaardelijke bewondering die ze voor haar levensgezel koesterde.

Na Van der Noot’s triomfantelijke terugkeer werd Jeanne de first lady van de Verenigde Nederlandse Staten. Velen namen het haar niet in dank af. Naarmate de tegenstelling tussen "aristo-teokraten" en vonckisten scherper werd, nam het aantal pamfletten en spotprenten tegen Jeanne en/of Van der Noot toe. De keizersgezinden deden eveneens hun duit in het zakje.

Men beschuldigde Jeanne ervan dat ze namens de republiek officiersbrevetten en ambten verkocht en bij alle benoemingen een vinger in de pap had. Zij zou ook de aanstichtster zijn geweest van de plundering van de huizen van vonckisten in 1790. Toen de Oostenrijkers opnieuw in Brussel verschenen, sloeg Jeanne op de vlucht en zocht een onderkomen in de Verenigde Provinciën. Maar zij vluchtte niet samen met Van der Noot; de twee kwamen in andere steden terecht. Het waarom van die breuk blijft een raadsel.

Het laatste dat men zeker weet is dat Jeanne naar Rotterdam trok en dat Marianne voor beiden de kost verdiende met tekenlessen. Het toneelstuk La Levée du Siège de Maestricht over het beleg van die stad door de Fransen onder generaal Miranda in 1793, suggereert dat Jeanne, die er uitzag als "een overjaarse kalkoen" de minnares van deze bevelhebber was geworden. De rest is stilte...