Jan Frans Vonck (1743-1792) - Parlement van drukkingsgroepen

Artikelindex

 

Parlement van drukkingsgroepen

De staten ontstonden in de late Middeleeuwen. Omdat de vorsten belastingen nodig hadden, gaven zij de machtigste bevolkingsgroepen of standen van een gewest inspraak bij het landsbestuur. De staten telden vertegenwoordigers van adel, clerus en (grote) steden. Bij ons waren de staten van Brabant en die van Vlaanderen de belangrijkste. In sommige landen stuurden de gewestelijke staten vertegenwoordigers naar de zogenaamde Staten-Generaal om met de vorst te overleggen over zaken die het hele grondgebied aanbelangden.

In de Verenigde Provinciën oefenden de Hoogmogende Heren Staten Generaal na de opstand zelf het landsbestuur uit. In Frankrijk kwamen ze sedert lang niet meer bijeen. Toen Lodewijk XVI gedwongen werd ze toch samen te roepen, vormden zij zichzelf om tot Nationale Assemblee. De staten waren geen volksvertegenwoordiging in de moderne, democratische zin; zij vertegenwoordigden de hogere klassen en waren behoudsgezind. Eigen- en regionaal belang wogen zwaarder dan dat van de overkoepelend staat.

Adel en clerus, die als grondbezitters dezelfde belangen verdedigden, waren vaak in de meerderheid; doorgaans stemde men niet individueel, maar per stand, zodat het altijd twee tegen een was. Adel en Kerk betaalden nauwelijks belasting en wilden dat zo houden. De steden - de zogenaamde derde stand - moesten wé1 betalen maar hun afvaardiging, gerekruteerd uit de machtige ambachten, probeerden het bedrag laag te houden en af te wentelen op de kleine man. Zeker in de Zuidelijke Nederlanden vond men niet dat het verre Wenen te veel eisen moest stellen; onze centen werden toch maar gebruikt voor oorlogen tegen de Turken en andere dingen waar men geen baat bij had. Dat een krachtig bestuur ook deze gewesten ten goede kwam, zag men niet in. Iedere versterking van het centrale gezag betekende dat de plaatselijke machthebbers invloed verloren en dat wilden zij niet.

In Brabant bestond de derde stand uit afgevaardigden van de drie hoofdsteden Brussel, Antwerpen en Leuven. Om bij de adel zitting te mogen hebben, moest men minstens baron zijn, een minimum aantal kwartieren of adellijke voorouders hebben en naargelang zijn titel over een bepaald inkomen beschikken. De geestelijke stand bestond uit de dertien belangrijkste abten.

De staten van Brabant stelden in 1356 met hertog Jan III de Blijde Intrede op. Dit charter bekrachtigde de privileges die de vorst zijn onderdanen had geschonken; het bepaalde dat alleen Brabanders de administratie mochten bemannen en dat de vorst het gemeen land moest raadplegen bij belangrijke kwesties. Het gaf de Brabanders het recht in opstand te komen als hij de artikelen van het charter niet naleefde.

ln Vlaanderen week de samenstelling van de staten af van het gebruikelijke stramien. Hier domineerden de steden Gent, Brugge, Kortrijk, Oudenaarde, Ninove en Dendermonde die samen drie stemmen uitbrachten, en de landelijke omschrijvingen Oudburg, het Brugse Vrije. de kasselrijen Kortrijk en Oudenaarde, de landen van Bornem, Waas, Aalst en Dendermonde en de ambachten Assene en Bouchoute (volgens een beurtsysteem), die samen ook drie stemmen hadden. De geestelijkheid had er slechts twee. De adel kreeg pas in 1789 een eigen vertegenwoordiging.


Jan Lampo

Bron: Dagblad 'De Standaard' van woensdag 25 nov 1992.