Jan Frans Vonck (1743-1792) - Naschrift

Artikelindex

Verenigde Nederlandse Staten kenden nog geen communautaire problemen.

 

 

Henri Pirenne zag in de Verenigde Nederlandse Staten een voorafbeelding van België. Toch publiceerde Vonck's medestander Jan Baptist Verlooy in 1788 in Maastricht een "Verhandeling op d'Onacht der Moederlyke Tael" die hem tot een voorloper van de Vlaamse Beweging maakt. Droeg de opstand van 1789 in zich de kiemen van de latere tegenstellingen tussen francofone belgicisten en flaminganten? En lag de confrontatie tussen vonckisten en statisten aan de basis van de strijd tussen liberalen en katholieken na 1830?

Wanneer wij over Vlaanderen en de Vlaamse Beweging spreken, hebben we het over begrippen uit de 19de eeuw. Ze ontstonden in een centralistisch Franstalig België, in het raam van een nationalisme dat gekleurd was door de romantiek. De taelminnaren die rond 1840 aan het woord kwamen, streefden naar de kulturele, later politieke ontvoogding van een Vlaams "volk" binnen de Belgische staat.

Dit flamingantisme was vooral katholiek en verheerlijkte een bijgekleurd Vlaams verleden, wat bijdroeg tot zijn sociaal conservatisme - al telden de eerste Vlaamsgezinden ook liberalen in hun rangen. Maar Verlooy, Vonck en hun medestanders leefden in de 18de eeuw. Zij waren kinderen van de Verlichting en de politieke context waarin zij opereerden, was anders. Verlooy sprak in zijn Verhandeling niet over Vlaanderen, maar over de Oostenrijkse Nederlanden. Op de eerste bladzijde staat:
"Wy vinden ons in de Nederlanden, bezonderlyk hier in d'Oostenryksche, in konsten en wetenschappen verre onder onze nabueren. (...) En inder daed, wat zyn wy in de konsten ten aenzien van de Fransche? (...) tegen Voltaire, Boleau, Montesquieu, Corneille (...) Beaumarchais en duyzent andere?"

Verlooy ergerde zich aan de verfransing, waarvan hij de schuld zowel bij de Oostenrijkers als bij de Staten legde, en maakte een onderscheid tussen de Franse volksaard en die van den Nederlander. Maar hij was een bewonderaar van de Franse cultuur, waarvan hij de invloed als zodanig niet verderfelijk vond. Zijn opvattingen dat het gebruik van het Frans door de hogere (midden)klasse het "onze (...) borgers, ambachtslieden, akkermans en onze vrouwen" de toegang ontzegde tot wetenschap en cultuur, was een typische Verlichtingsidee.

"Vrydom"

Wanneer Verlooy de verfransing aanklaagde, had hij het vooral over Brussel, waar hij woonde en het centraal bestuur. Van hof en hogere kringen gingen inderdaad verfransende invloeden uit. Maar recent bronnenonderzoek bewees dat Verlooy overdreef en het in zijn tijd lang niet zo'n vaart liep.

Verlooy noemde het Nederlands de Tael van den Vrydom, maar ook dat begrip had een andere inhoud dan het een halve eeuw later kreeg: Verlooy wilde meer inspraak in het bestuur van de Zuidelijke Nederlanden. Maar wanneer de opstandelingen woorden als vaderland en vaderlands in de mond namen, bedoelden zij niet dat zij een onafhankelijke eenheidsstaat wilden: zij hadden het over de Zuidelijke Nederlanden die zij kenden: een amalgaam van gewesten en gewestjes met eigen instellingen en tradities.

Een van de dingen die zij Jozef II kwalijk namen, was precies dat hij bestuur en rechtspraak uniformiseerde, zonder rekening te houden met gewestelijke gevoeligheden. De opstand partikularisch gekleurd. De revolutionairen kozen, naar voorbeeld van de jonge Verenigde Staten, voor een konfederatie van gewesten, Vlaanderen, Brabant of Henegouwen hielden niet op te bestaan; ze werden soeverein.

Correspondentie

De taal van de gewesten - of hun meertaligheid - speelde bij dit alles nauwelijks een rol. Vandaag noemden wij de leiders van de vonckisten Vlamingen omdat zij van huis uit Nederlandstalig waren. Zelf beschouwden alleen zij, die uit het graafschap kwamen, zich als zodanig.

Of alle Franstalige opstandelingen Nederlands kenden, is de vraag, maar niemand stoorde zich daaraan. De Nederlandstaligen waren ontwikkelde lieden - priesters, advokaten, edelen - die naast Frans ook het latijn beheersten. De ambtenaren en aristocraten verkeerden vanouds in tweetalige milieus. En mag niet vergeten dat het Frans in de 18de eeuw overal de kultuurtaal was, blijkt ook uit hun publikaties, maar ook uit de partikuliere correspondentie van vele vooraanstaanden.

Dat het Nederlands (nog) niet echt in de verdrukking kwam en dat de meeste Nederlandstaligen het ook niet zo ervoeren, hoeft niet te verbazen. Pas met de Franse revolutionaire legers deed vanaf 1794 een politiek van verfransing haar intrede. Van bewust "Belgisch" staatsnationalisme en/of Belgische natievorming kon in deze context evenmin sprake zijn; hoewel de verleiding voor historici later groot was om in de Verenigde Staten van 1790 een voorafspiegeling te zien van het België van 1830. Met name Pirenne legde in zijn Histoire de Belgique een verband tussen Brabantse omwenteling en de Belgische afscheiding in 1830.

Dat Verlooy's Verhandeling weinig weerklank vond, mag intussen niet doen vergeten dat het Nederlandstalig cultureel leven op het eind van het ancien regime een opleving doormaakte. Vooral het toneelleven in het graafschap Vlaanderen was intens. Rederijkers uit middenstand en kleine burgerij brachten ook in kleine steden bewerkingen van Voltaire en andere verlichte auteurs. "In het Europa van de 18de eeuw is dit ongemeen intense toneelleven, als vorm van 'kunst-door-en-voor-het-volk', een uniek fenomeen." schreef prof J. Smeyers.

Liberaal?

Tot dezelfde doelgroep van geletterde kleinburgers richtte zich het Gentse tijdschrift De Vlaemschen Indicateur met bijdragen waarin verlichte ideeën en preromantische gevoelens aan bod komen. De opstellers kenden het werk van Engelsen Richardson en Fielding, maar ook de Werther van Goethe.
Men vraagt zich af of deze lieden en hun publiek geen aanhangers van Vonck waren, die in Vlaanderen meer steun genoot dan in het conservatieve Brabant. Zo ja, ware het interessant te weten of hun invloed tijdens de Franse overheersing verloren ging (omdat ze verfranst raakten) of dat hij na 1830 doorwerkte bij de liberalen onder de eerste flaminganten.
Daarmee belanden wij bij de vraag naar de relatie vonckisten-liberalisme. Vroeger beschouwden historici de vonckisten gemakkelijk als voorlopers van de liberalen. Maar het liberalisme ontstond pas na Napoleon, als reactie tegen de restauratie. Het groeide naarmate de industrialisatie de burgerij rijker maakte. In België was pas sprake van een liberale beweging vanaf 1847.

Men mag de democraten dus geen ideeën en bedoelingen toeschrijven die zij niet konden hebben. In tegenstelling tot Van der Noot en de zijnen, die alle steun van de kerk genoten, waren de democraten eerder anticlericaal. En zij waren geen afgelijnde ideologie toegedaan. Aan de andere kant vluchtten vele vonckisten bij terugkeer van de Oostenrijkers naar Frankrijk. Later sympatiseerden nogal wat van hen met het Franse regime in onze gewesten.

Radicaal

Men kan dus wél zeggen dat de tegenstelling tussen anticlericalen en clericalen, ultramontaanse en gematigde katholieken (later ook vrijzinnigen) in de 19de eeuw wortels had in het antagonisme tussen democraten en statisten tijdens de Brabantse Omwenteling. De conflicten die in 1790 leefden, waren in 1830 niet vergeten. Daarom is het eveneens aannemelijk dat vroegere democraten, of lieden wier ouders het democratisch gedachtengoed waren toegedaan, ontvankelijker waren voor prille, liberale ideeën, dan zij, die destijds de kant van Van der Noot kozen of opgroeiden in een milieu van vroegere Statisten.

Jan Lampo.

Bron: Dagblad 'De Standaard' van woensdag 16 dec 1992.